Staphorst vroeger
Waar nu Staphorst en Rouveen zijn gesitueerd, lag in de vroege middeleeuwen een meters dik hoogveenpakket. Dit veen wordt aan de west- en noordzijde begrensd door de beekdalen van de Gene (nu: Zwarte water), de Sethe (nu: Meppeler diep) en de Reest. Het veenpakket neemt in oostelijke richting in dikte af. Daar ligt het zand dicht onder het oppervlakte.
De oudste bewoningsplaatsen in het gebied bevinden zich langs de beken. Op rivierduinen en dekzandruggen langs de beekdalen liggen de vroegste nederzettingen zoals Hesselingen, Hamingen, Baarlo, Heuvenstede en ten Velde. De bewoners van deze dorpen hebben kleine gedeeltes van het veengebied in gebruik. Rond het jaar 1000 krijgt de Bisschop van Utrecht de zeggenschap over grote delen van Drenthe en Overijssel. Onder regie van dit Bisdom is omstreeks 1180 begonnen met een grootschalige ontginning van het veen.
Het slagenlandschap
Het veengebied wordt hiertoe verdeeld in een aantal slagen. Deze slagen worden opgedeeld in ontginningshoeven met een vaste perceelsbreedte van ca. 125 meter. Staphorst en Rouveen krijgen elk vier slagen toebedeeld. In Staphorst tellen deze slagen 48 hoeven, in Rouveen 62. Het startpunt van de ontginning ligt ter hoogte van De Wijk. Langs of dichtbij de Wijk hebben de eerste kolonisten zich gevestigd. De kolonisten binnen een slag trekken gezamenlijk op bij het ontginnen van het veen. Min of meer loodrecht op de ontginningsas worden sloten gegraven ter ontwatering van het veen en begrenzing van de percelen. Aan de achterzijde van de slagen worden zgn. leidijken aangelegd. Tussen de slagen worden kades opgeworpen en watergangen gegraven om het zure veenwater dat vanaf de hoger gelegen delen op het ontgonnen gebied toestroomt, te weren en snel af te voeren. Langs de ontginningsbasis wordt het patroon van slagen op enkele plekken onderbroken door wigvormige “reststukken”. Deze zogenaamde geren lijken bij de verdeling van het veen uitgespaard om oudere gebruiksrechten op het veen te respecteren. De geren liggen allen tegenover de eerder genoemde oude nederzettingen in het gebied.
Ontginning
Na de ontginning worden de gronden in gebruik genomen als bouwland (rogge en graan) en weiland. Door de ontwatering van het ontgonnen veen treedt klink en oxidatie op. Dit brengt een gestage maaiveldsdaling met zich mee. Na verloop van tijd wordt de bovenlaag van de grond te vochtig om nog langer als akkerland te gebruiken. De oplossing wordt gevonden door een nieuw stuk veen te ontginnen. Hierbij vormt de bestaande leidijk de nieuwe onginningsbasis.
Het veengebied wordt hiertoe verdeeld in een aantal slagen. Deze slagen worden opgedeeld in ontginningshoeven met een vaste perceelsbreedte van ca. 125 meter. Staphorst en Rouveen krijgen elk vier slagen toebedeeld. In Staphorst tellen deze slagen 48 hoeven, in Rouveen 62. Het startpunt van de ontginning ligt ter hoogte van De Wijk. Langs of dichtbij de Wijk hebben de eerste kolonisten zich gevestigd. De kolonisten binnen een slag trekken gezamenlijk op bij het ontginnen van het veen. Min of meer loodrecht op de ontginningsas worden sloten gegraven ter ontwatering van het veen en begrenzing van de percelen. Aan de achterzijde van de slagen worden zgn. leidijken aangelegd. Tussen de slagen worden kades opgeworpen en watergangen gegraven om het zure veenwater dat vanaf de hoger gelegen delen op het ontgonnen gebied toestroomt, te weren en snel af te voeren. Langs de ontginningsbasis wordt het patroon van slagen op enkele plekken onderbroken door wigvormige “reststukken”. Deze zogenaamde geren lijken bij de verdeling van het veen uitgespaard om oudere gebruiksrechten op het veen te respecteren. De geren liggen allen tegenover de eerder genoemde oude nederzettingen in het gebied.
Ontginning
Na de ontginning worden de gronden in gebruik genomen als bouwland (rogge en graan) en weiland. Door de ontwatering van het ontgonnen veen treedt klink en oxidatie op. Dit brengt een gestage maaiveldsdaling met zich mee. Na verloop van tijd wordt de bovenlaag van de grond te vochtig om nog langer als akkerland te gebruiken. De oplossing wordt gevonden door een nieuw stuk veen te ontginnen. Hierbij vormt de bestaande leidijk de nieuwe onginningsbasis.
De oude leidijk wordt vroeg of laat doorgegraven. De vroegere bouwlanden krijgen een functie als hooi- of weiland. Met de ontginning van nieuwe stukken veen schuift het zwaartepunt van de bedrijvigheid steeds verder op. Op den duur wordt de afstand tussen woonplaats en akkers zo groot dat boerderijen naar achteren verplaatst worden. Zo krijgt men tevens een hogere en dus drogere woonplaats. Dit proces van dorpverplaatsing herhaalt zich in zowel Staphorst als Rouveen diverse malen. Opvallend is daarbij dat de kerk telkens een tijdje achterblijft. De oorzaak daarvan moet worden gezocht in het feit dat men het stenen bouwwerk minder gemakkelijk verplaatst dan een houten boerderij. Daarnaast werden in de nabijheid van een kerk mensen begraven en verplaatsing van een begraafplaats zal ook destijds gevoelig hebben gelegen.
Het ontstaan van het lint
In eerste instantie ontwikkelen de slagen zich onafhankelijk van elkaar. Al snel onderkent men de noodzaak om de ontginningen op elkaar af te stemmen. De sterke kromming van de eerste ontginningsas maakt dat bij het voortschrijden van de occupatie de verschillende groepen kolonisten voortdurend met elkaar rekening moeten houden. Als gevolg hiervan worden de percelen smaller en moet de ontginningsrichting diverse malen worden aangepast. Een verandering van de perceelsrichting vindt altijd plaats ter hoogte van een leidijk. Een gezamenlijke richtingverandering gaat het beste wanneer de leidijken in een lijn liggen. De diverse leidijken vormen in de loop van de tijd steeds meer een gesloten front. Op een gegeven moment zijn de leidijken van Rouveen en Staphorst samengevoegd tot een lint; de ‘olde dijck'. Dit is de voorloper van het huidige lint dat eind 16e eeuw tot stand komt. Met het bereiken van de ‘nieuwe dijck' komt een eind aan het steeds verder opschuiven van de dorpen. Het lint ligt nu op een stevige, zandige ondergrond waardoor verplaatsing niet meer nodig is. De ontginning gaat wel verder. Als gezamenlijk richtpunt wordt een punt ver in het veen gekozen; de Punthorst. De percelen worden naar achteren steeds smaller en maken vooral bij Rouveen een sterke kromming. Als laatste leidijk wordt de ‘Staten Leidijk' aangelegd.
'De Streek'
Het huidige lint wordt in de volksmond ook wel ‘De Streek' genoemd. Kenmerkend voor het lint is de boogvorm; een directe afgeleide van de vorm van de ontginningsbasis. Opvallend is de verdraaiing van de perceelsrichting ten opzichte van de weg: in Staphorst staat deze vrijwel haaks op de weg terwijl verder naar het zuiden, in Rouveen, de verkavelingsrichting onder een scherpe hoek staat met de weg. Ook de boerderijen staan hier niet haaks op de weg maar volgen de richting van de percelen. Een verklaring hiervoor kan zijn dat de Staphorster kolonisten al verder veeninwaarts waren dan de Rouveners. Vanuit de ontginningsbasis (de Wijk) is te zien dat de vier slagen van Staphorst in vrijwel een rechte lijn naar het zuidoosten lopen. De slagen van Rouveen daarentegen worden, door de beperkte ruimte naar achter toe, gedwongen hun perceelsrichting keer op keer bij te stellen. Het verschil in tempo kan samenhangen met het feit dat het zand bij de Staphorster slagen dichter aan de oppervlakte lag en het veenpakket dus dunner was dan in de omgeving van Rouveen. De boogvorm van De Streek kent in het zuidelijk deel, onder Rouveen, een opmerkelijke afwijking. Hier lijkt een extra slinger aan het lint geplakt. Bij het tracé van de ‘olde dijck' is van een dergelijke bocht nog geen sprake. Waarschijnlijk is bij de laatste verplaatsing van olde naar nieuwe dijck aanvankelijk van een evenwijdige opschuiving sprake geweest, maar is later het zuidelijkste deel nog een stukje verder opgeschoven. Dit kan worden verklaard uit het feit dat daarmee ook het zuidelijkste deel op het zand kwam te liggen.
Karakteristiek bebouwingspatroon
De Streek wordt gekenmerkt door een groot aantal boerderijen die niet alleen naast elkaar maar ook achter elkaar zijn gesitueerd. Dit voor Staphorst en Rouveen karakteristieke bebouwingspatroon vindt zijn oorsprong in een unieke combinatie van landschappelijke en sociaalculturele randvoorwaarden. De
bewoners van de Streek kennen een sterke gemeenschapszin, hetgeen zich ondermeer uit in een honkvast karakter. Wanneer de bevolking groeit worden de kavels gesplitst en verdeeld. Doordat de ruimte gaandeweg de ontginning steeds beperkter wordt zijn de kavels op de Streek aanmerkelijk smaller dan de 125 meter breedte bij het begin van de ontginning. Nieuwe boerderijen kunnen aanvankelijk nog tussen de bestaande geplaatst worden. Maar al snel ontbreekt hiertoe de ruimte. Elders in Nederland is in zulke situaties vaak besloten tot het stichten van een nieuwe nederzetting elders. Zo niet in Staphorst: hier worden de nieuwe boerderijen direct achter de bestaande gebouwd. Na de splitsing in de lengterichting worden de kavels nu ook in de breedte gesplitst. Dit langdurige proces van vererving heeft in Staphorst geleid tot het karakteristieke bebouwingspatroon waarbij het lint op veel plekken verschillende rijen dik is en de achterliggende woningen worden ontsloten door paden (stegen) haaks op het lint.
Splitsing van boerderijen
De gemeente Staphorst huisvest veel agrarische bebouwing, zowel Staphorst, Rouveen als IJhorst. Daar de agrarische wereld de laatste jaren steeds meer onder druk komt te staan door de lage prijzen, hoge kwaliteitseisen en aanscherping van de regelgeving op het gebied van milieu en dierenwelzijn worden veranderingen in de bedrijfsstructuur noodzakelijk. Veel boeren hebben de laatste jaren gekozen voor bedrijfsbeeindiging of verplaatsing naar het buitengebied, met als gevolg leegstaande boerderijen aan de streek. Om deze leegstand en verval tegen te gaan worden de boerderijen op dit moment veelal gesplitst in meerdere wooneenheden. Op deze manier blijft het beeld van Staphorst intact.
Het ontstaan van het lint
In eerste instantie ontwikkelen de slagen zich onafhankelijk van elkaar. Al snel onderkent men de noodzaak om de ontginningen op elkaar af te stemmen. De sterke kromming van de eerste ontginningsas maakt dat bij het voortschrijden van de occupatie de verschillende groepen kolonisten voortdurend met elkaar rekening moeten houden. Als gevolg hiervan worden de percelen smaller en moet de ontginningsrichting diverse malen worden aangepast. Een verandering van de perceelsrichting vindt altijd plaats ter hoogte van een leidijk. Een gezamenlijke richtingverandering gaat het beste wanneer de leidijken in een lijn liggen. De diverse leidijken vormen in de loop van de tijd steeds meer een gesloten front. Op een gegeven moment zijn de leidijken van Rouveen en Staphorst samengevoegd tot een lint; de ‘olde dijck'. Dit is de voorloper van het huidige lint dat eind 16e eeuw tot stand komt. Met het bereiken van de ‘nieuwe dijck' komt een eind aan het steeds verder opschuiven van de dorpen. Het lint ligt nu op een stevige, zandige ondergrond waardoor verplaatsing niet meer nodig is. De ontginning gaat wel verder. Als gezamenlijk richtpunt wordt een punt ver in het veen gekozen; de Punthorst. De percelen worden naar achteren steeds smaller en maken vooral bij Rouveen een sterke kromming. Als laatste leidijk wordt de ‘Staten Leidijk' aangelegd.
'De Streek'
Karakteristiek bebouwingspatroon
De Streek wordt gekenmerkt door een groot aantal boerderijen die niet alleen naast elkaar maar ook achter elkaar zijn gesitueerd. Dit voor Staphorst en Rouveen karakteristieke bebouwingspatroon vindt zijn oorsprong in een unieke combinatie van landschappelijke en sociaalculturele randvoorwaarden. De
Splitsing van boerderijen
De gemeente Staphorst huisvest veel agrarische bebouwing, zowel Staphorst, Rouveen als IJhorst. Daar de agrarische wereld de laatste jaren steeds meer onder druk komt te staan door de lage prijzen, hoge kwaliteitseisen en aanscherping van de regelgeving op het gebied van milieu en dierenwelzijn worden veranderingen in de bedrijfsstructuur noodzakelijk. Veel boeren hebben de laatste jaren gekozen voor bedrijfsbeeindiging of verplaatsing naar het buitengebied, met als gevolg leegstaande boerderijen aan de streek. Om deze leegstand en verval tegen te gaan worden de boerderijen op dit moment veelal gesplitst in meerdere wooneenheden. Op deze manier blijft het beeld van Staphorst intact.

